Aanpassing fictief rendement in de Curaçaose inkomstenbelasting: mogelijke strijd met eigendomsrecht

Per 1 augustus 2025 wordt het fictief rendement in de Curaçaose inkomstenbelasting aanzienlijk verhoogd. Deze wijziging raakt de houders van aandelen in Curaçaose beleggingsvennootschappen en buitenlandse beleggingsvennootschappen.

De regeling rond het fictief rendement is vastgelegd in artikel 5, vierde lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (LIB 1943). Hierin staat dat het voordeel uit aandelen in Curaçaose en buitenlandse beleggingsvennootschappen wordt vastgesteld op een forfaitair percentage van de waarde van die aandelen aan het begin van het kalenderjaar. Tot 1 augustus 2025 bedraagt dit percentage 4%. Met de inwerkingtreding van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie jongeren en jongvolwassenen (“LV arbeidsparticipatie jongeren”) wordt dit percentage per 1 augustus 2025 verhoogd naar 10%—een stijging van 150%. De LV arbeidsparticipatie jongeren is het resultaat van een reeds in 2021 ingediend initiatiefwetsvoorstel.


De verhoging naar 10% is een beleidsmatige keuze, ingegeven door budgettaire overwegingen. In de memorie van toelichting en de overige bijbehorende stukken wordt hier nauwelijks op ingegaan, behalve dat de indieners 10% een redelijk percentage achten. Maar is dat wel zo en had het niet op de weg gelegen om hier meer onderzoek naar te doen?

In Nederland is het forfaitair rendement in box 3 herhaaldelijk getoetst aan het eigendomsrecht (artikel 1 Eerste Protocol EVRM). Belastingheffing is toegestaan, mits deze rechtmatig is, een legitiem doel dient en er sprake is van een fair balance tussen het algemene en het individuele belang. Alleen bij een individuele en buitensporige last kan sprake zijn van strijd met het EVRM. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een forfaitair percentage is toegestaan, zolang wordt getracht de werkelijkheid te benaderen. Door het ontbreken van onderbouwing of toelichting door de indieners, lijkt het nieuwe percentage van 10% op voorhand problematisch. Uit niets blijkt dat getracht is de werkelijkheid te benaderen.

De verhoging van het fictief rendement naar 10% heeft grote gevolgen voor houders van aandelen in Curaçaose en buitenlandse beleggingsvennootschappen. Zij krijgen te maken met een hogere belastingdruk, ongeacht het daadwerkelijk behaalde rendement. Dit is vooral problematisch in jaren waarin het werkelijke rendement lager is dan 10%, of zelfs negatief. In zulke gevallen kan de belastingdruk hoger uitvallen dan het daadwerkelijk genoten voordeel. In Nederland is hiervoor een oplossing gevonden: als het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire percentage, mag worden uitgegaan van het lagere werkelijke rendement.

Het is begrijpelijk dat er gezocht wordt naar (budgettaire) maatregelen om de voordelen van de LV arbeidsparticipatie jongeren mogelijk te maken. Worden dergelijke maatregelen genomen, dan moeten de gevolgen goed doordacht en onderbouwd zijn. De indieners hebben nu gekozen voor een snelle oplossing, maar lopen het risico dat dit op termijn tegen hen werkt.

Na het indienen van de aangifte inkomstenbelasting 2025 zal een aanslag volgen, indien uw werkelijke rendement minder is geweest dan 10% ligt de weg van bezwaar open.